Recent of lopend onderzoek

Kennis van het visueel functioneren van personen met een ernstige of diepe verstandelijke beperking

Onze ogen zijn ons belangrijkste zintuig. Is er een probleem met ons zicht dan wordt met gesofisticeerde apparatuur en geavanceerde methodes onderzocht hoe dit zo snel en zo goed mogelijk kan worden verholpen. Maar, wat als je niet kan aangeven dat er iets scheelt met je zicht? Of wat als je je niet bewust bent van je visuele beperking? Dit is de realiteit voor duizenden personen met een ernstige of diepe verstandelijke beperking in Vlaanderen. Zij zijn volledig afhankelijk van anderen om hun visuele beperking te ontdekken. Onderzoek toont echter aan dat het visueel functioneren van deze doelgroep voor anderen, ook professionals, een blinde vlek is.

Om een eerste idee te krijgen van de kennis die er voorhanden is in een doorsnee zorgsetting voor personen met een ernstige of diepe verstandelijke beperking zette vzw Stijn in samenwerking met de KU Leuven een praktijkonderzoek op. Twee studenten in de pedagogische wetenschappen werkten in het kader van hun masterproef en onder supervisie van Prof. Dr. Bea Maes en Dr. Sara Nijs van de onderzoekseenheid Gezins-en Orthopedagogiek aan de KU Leuven, intensief mee aan dit onderzoek.

Klik hier voor het artikel over dit onderzoek op sociaal.net

De PDF van de masterproef kan u hieronder vinden.

Boek 'Eigen-aardige gasten'

Maak kennis met een bijzondere groep van mensen. ‘Gasten’ met een matig, ernstig of diep verstandelijke beperking en eventuele autismespectrumstoornis die omwille van hun ‘eigen-aardig’ gedrag geen plaats vinden in onze samenleving.

Dienstencentrum St.-Oda in Overpelt bekommert zich al meer dan een kwarteeuw over deze moeilijke en soms vergeten doelgroep. Vanuit heel Vlaanderen worden de kinderen en volwassenen die nergens anders meer terecht kunnen, opgevangen in observatieafdeling ‘Ster 2’. Tijdens de observatieperiode kunnen de gast, zijn familie, leerkrachten en begeleiders tot rust komen. De specifieke noden van de gast worden in kaart gebracht. Met hart en verstand wordt menselijk en professioneel gezocht naar de aanpassingen en aanpak die een leefbaar leven mogelijk maken.

De kracht van dit boek schuilt in de bundeling van een schat aan vakkennis en werkervaring. Praktijksituaties illustreren herkenbare problematiek en concrete aanpak. Het boek is niet alleen een aanrader voor opvoeders, pedagogen, psychologen en (para)medici, maar biedt iedereen de unieke kans om via deze weg toch een aantal ‘eigen-aardige gasten’ te ontmoeten.

Het boek (uitgegeven bij Uitgeverij ACCO; ISBN 978 94 6292 306 5) wordt officieel voorgesteld op de studiedag op 11 maart 2016 maar is beschikbaar vanaf december 2015, zowel voor mensen die zich inschrijven voor de studiedag als voor mensen die het boek afzonderlijk willen aankopen.

Voor meer info over de studiedag, inschrijven en aankoop van het boek: http://www.stoda.be

Onderzoek NAH

Bij personen met een Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH) verschilt de evolutie van de situatie na het optreden van het hersenletsel sterk van persoon tot persoon. Bij sommige personen zien we een grote mate van herstel en verbetering in de situatie. Bij anderen blijft de situatie stabiel of gaat de toestand van de persoon eerder achteruit. Welke factoren bepalen of de toestand van de persoon met NAH verbetert of verslechtert? Zijn er factoren waar de persoon zelf, de familie of de professionele begeleiding vat op heeft?

Om inzicht te verwerven in deze factoren werden gegevens verzameld d.m.v. (1) literatuuronderzoek (2) dossieronderzoek en bevraging bij begeleiders van 143 personen met een NAH en (3) expertinterviews met Prof. Peter Mariën (neuropsycholoog ZNA Middelheim– VUB), Miet Vandeberg (pedagoog ‘t Klavertje), Kathleen Motmans (HANA, thuisbegeleiding), Dr. Dirk Liessens en Guy Lorent (respectievelijk Psychiater en Neuropsycholoog St.-Kamillus Bierbeek).

De resultaten van het onderzoek geven een beeld van hoe de populatie van personen met een NAH binnen vzw Stijn verdeeld is, naargelang de aard van het letsel, de evolutie die de personen doormaken en de factoren die hierin een rol blijken te spelen. De set van geïdentificeerde risicofactoren is een vertrekpunt voor verder onderzoek en leent zich voor een vertaling naar de concrete zorgpraktijk.


De geïdentificeerde risicofactoren worden geconcretiseerd in een checklist⁄risico-analyse. Het invullen van de checklist kan begeleiders, psychologen en pedagogen bij het opstellen van de handelingsplanning helpen om alert te blijven voor risicofactoren. De output van de risico-analyse geeft suggesties of extra informatie specifiek afgestemd op het risicoprofiel van de persoon.

Daarnaast gaan we op zoek naar een instrument dat toelaat de evolutie van de situatie van de persoon met NAH over langere termijn te blijven monitoren. De POS (Personal Outcome Scale; zie onderzoek POS hieronder) en QOLIBRI (http://www.qolibrinet.com) zijn mogelijke kandidaten voor het opvolgen van de evolutie van de persoon en werden bij een groep van personen met NAH afgenomen. In het kader van de projectstage van een aantal studenten ergotherapie (PXL) zal in verschillende voorzieningen en diensten van vzw Stijn ook het FINAH-instrument (www.finah.be) en het OPP (Occupational Performance Profile) worden afgenomen. Het parallel uittesten van deze vier instrumenten bij dezelfde doelgroep laat ons toe de overlap, complementariteit en voor- en nadelen van de instrumenten in te schatten.

Onderzoek Personal Outcome Scale (POS)

Hoe gelukkig zijn onze zorggebruikers? Hoe goed is hun ‘kwaliteit van bestaan’? Dat is uiteindelijk waar het om draait. Antwoorden op deze vragen zeggen iets over hoe goed we het als zorgorganisatie doen.

De Personal Outcome Scale meet op basis van specifieke indicatoren in 8 kerndomeinen (gevalideerd in een aantal interculturele onderzoeken) de ‘kwaliteit van bestaan’ van een persoon. Om de toepasbaarheid van deze schaal in onze organisatie te onderzoeken, werd de schaal bij een 90-tal zorggebruikers in 5 voorzieningen van vzw Stijn afgenomen. We zijn geïnteresseerd in de inzetbaarheid van de POS bij personen met een NAH (zie boven) maar ook bij personen met een andere (bv. aangeboren verstandelijke) handicap.

De kosten (afnameduur, opleiding, e.d.) en baten van het systematisch afnemen van de schaal worden bekeken. Er wordt nagegaan of de schaal nuttige kwalitatieve en kwantitatieve gegevens aanreikt bovenop de huidige informatie die we hebben over hoe goed onze zorggebruikers zich voelen. We gaan na of de schaal een meerwaarde biedt voor de zorggebruiker zelf, de handelingsplanning en het beleid.

Onderzoek kijkgedrag

In het kader van de master thesis van twee studenten orthopedagogie (KU Leuven; i.s.m Prof. Bea Maes en Dr. Sara Nijs) gingen we recent na in welke mate ‘eye tracking’ (het meten van oogbewegingen) kan gebruikt worden in het meten van visuele voorkeuren bij personen met een diep verstandelijke beperking. Op basis van video-opnames van het kijkgedrag werden de betrokkenheid en het welbevinden ingeschat. Het onderzoek toonde aan dat eye tracking bij personen met een diep verstandelijke beperking mogelijk is, maar niet evident.

De resultaten suggereren dat we van personen met een diep verstandelijke beperking niet mogen verwachten dat ze hun aandacht langdurig (min. +- 30 seconden) vasthouden op eenzelfde visuele stimulus. Bewegende visuele stimuli bewegen best traag zodat trage volgbewegingen mogelijk blijven. Bijpassend geluid kan helpen om de betrokkenheid op de visuele stimulus te vergroten.

De graad van perceptuele verwerking van de visuele stimulus werd nagegaan door de manipulatie van de oriëntatie (het omkeereffect). De bevinding dat rechtopstaande (betekenisvolle) stimuli (menselijke gezichten en bewegingen) hoger scoorden op betrokkenheid en welbevinden dan dezelfde maar omgekeerde (betekenisarme) stimuli (omgekeerde menselijke gezichten en bewegingen) suggereert het inhoudelijk begrijpen van de betekenis van de gebruikte visuele stimuli.

Bij het aanbieden van audiovisuele stimuli aan personen met een diep verstandelijke beperking is vooral de sfeer die ermee gecreëerd wordt van belang. Visuele stimuli met menselijke figuren en gezichten trekken de aandacht maar kunnen zelden de aandacht langdurig vasthouden. Geluid helpt om de aandacht te richten en kan bijdragen aan de sfeer die gecreëerd wordt.

De pdf van de master thesis vindt u hieronder.

Factoren die een rol spelen in de keuze van een voorziening of dienst

Waarom kiezen zorggebruikers voor een specifieke voorziening of dienst van vzw Stijn? Een relevante vraag. De komst van persoonsvolgende financiering maakt deze vraag nog relevanter. Een goed zicht op de factoren die een rol spelen in de keuze van de zorggebruiker en/of zijn of haar familie, laat toe om na te gaan of sommige factoren over het hoofd gezien worden. Welke factoren kunnen we best in de toekomst blijven bevragen? Wat zijn onze sterktes? Wat zouden we beter anders aanpakken?

Een bevraging bij de verantwoordelijken van de dienst OPSTAP van elke voorziening of dienst van vzw Stijn, resulteerde in een set van factoren. De resultaten van dit onderzoek dienden onder meer als input voor het uitwerken van de strategiekaart 2016-2010 van vzw Stijn.

Het rapport van dit onderzoek is verkrijgbaar op aanvraag.

Project leeftijdsonafhankelijk hulpmiddelenbeleid (LOHB)

In opdracht van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) en het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG) en in samenwerking met Uhasselt (EDM en REVAL), PXL en LifeTechLimburg wordt nagegaan hoe in de toekomst een leeftijdsonafhankelijk hulpmiddelenbeleid kan worden opgezet, rekening houdend met de veranderende behoeften van een steeds groter wordende groep van mensen met beperkingen, ongeacht hun leeftijd. Concreet wordt er een functionele analyse gemaakt van een interactieve databank voor hulpmiddelen (Vlibank). Er wordt onderzocht hoe hulpmiddelenverstrekkingen in de toekomst betaalbaarder, accurater en dus effectiever en efficiënter gemaakt kan worden. Het onderzoek loopt over twee werkjaren. Een deel van de resultaten van het eerste werkjaar (sept 2014 – sept 2015) werd gepubliceerd in twee congrespapers.

Slaaponderzoek

Bij de nachtdienst van dienstencentrum St-Oda bestaat de indruk dat de bewoners van leefgroep ‘de Hei’ sinds een verhuis beter slapen. Objectieve slaapgegevens (registratiegegevens met de Actiwatch) van voor en na de verhuis zijn beschikbaar. Aan de hand van statistische analyses van de objectieve slaapgegevens willen we nagaan of de subjectieve indruk bevestigd wordt of niet. Indien de resultaten de indruk bevestigen, kunnen hypotheses gegenereerd worden die getest kunnen worden bij de volgende grote geplande verhuis.


© vzw Stijn - 2018